• Alles
  • Columns
  • Verhalen
  • Gedichten
Bekijk hier alle posts met een Column erin!
Posts tonen met het label Column. Alle posts tonen

donderdag 17 september 2020

Een so (een is sowieso goed)

“Let even goed op, want ik zal je precies vertellen wat je moet leren voor het so van volgende week.” De leerlingen in mijn vwo-2-klas schrijven driftig mee met wat ik op het bord schrijf: verwijswoorden, zij/hun/hen, dat/wat, als/dan. 

Niemand roept iets over de taalfout die ik in die zin gemaakt hebt. En dat is echt niet uit beleefdheid, want in principe grijpen ze elke gelegenheid aan om mij te wijzen op elke vermeende (!) fout. “Haha! Mevrouw! U zei ‘een aantal van jullie heeft’, maar het is natuurlijk ‘hebben’!” De reden dat ze niks zeggen is puur dat ze de taalfout niet gehoord hebben. Ik hoorde hem zelf ook niet. Ik vraag me af hoeveel van de lezers het zagen.

Ik wist pas dat het fout was, toen een vriendin mij appte. ‘Zeg jij de so of het so?’ Zonder twijfel antwoordde ik ‘het’. Voor haar gold hetzelfde. Maar op de school waar ze werkt, een gymnasium, zeggen alle docenten ‘de’. Alle leerlingen zeggen ‘het’.

Natuurlijk is het ‘de’ so. In principe krijgt een afkorting het lidwoord dat hoort bij de uitgeschreven vorm. Het is ‘de schriftelijke overhoring’, dus ook ‘de so’. Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld de tv (want: de televisie) en het hbo (het hoger beroepsonderwijs). Toch betwijfel ik of ik óóit in mijn leven ‘de so’ heb gezegd. En ik snap niet waarom.

Het gebeurt wel eens vaker dat het lidwoord van een woord verandert. Maar dat is eigenlijk altijd andersom. Van ‘het’ naar ‘de’.  In 2011 schreef Onze Taal al hoe het kan dat ‘het’ aan terrein verliest. Zo is er weinig informatie om aan af te leiden welk lidwoord je moet hebben, heeft het Nederlands überhaupt meer de-woorden dan het-woorden, en krijgen ook bijna alle nieuwe woorden ‘de’ (‘de feedback’, ‘de talkshow’). Logisch. Maar waar komt dan in vredesnaam die ‘het’ vandaan in ‘het so’?

Toen ik de toets van mijn klas nakeek, had ik soms moeite om een rode streep te zetten door ‘een meisje die’. Het feit dat ik ‘het so’ en niet ‘de so’ nakeek, vervulde me met bewustzijn dat taalgevoel soms tegen de regels indruist. Ik ga ervan uit dat als ze ‘het’ so vijftig jaar later hadden gemaakt, ik een krul had kunnen zetten.

Op Twitter krijg ik inmiddels veel reacties. De meest genoemde verklaring: 'so' stond vroeger voor 'schoolonderzoek', waarbij 'het so' wel logisch is. Hoewel ik de term 'schoolonderzoek' zelf niet ken (de term is in 1998 vervangen door 'schoolexamen') lijkt dit me geen gek idee.

vrijdag 11 september 2020

Neem de kijker serieus

Of een hele lange inleiding voor ik je vertel welke comedian je moet checken


Vanuit de cabaretwereld is er met enige regelmaat kritiek op het feit dat het genre soms niet zo serieus genomen lijkt te worden. Waarom wordt de Poelifinario, de prijs voor het meest indrukwekkende cabaretprogramma van het seizoen, bijvoorbeeld niet tegelijkertijd uitgereikt met andere theaterprijzen? En waarom krijgt de winnende cabaretier geen gouden penning, zoals de winnaar van de Louis d’Or, maar een spiegel van de Xenos? Terechte discussie lijkt me, maar volgens mij begint alles bij het serieus nemen van de kijker. En met de kijker bedoel ik in dit geval: mijzelf.


Een echte mening over cabaretprijzen heb ik helemaal niet. Wat kan mij het nou schelen wat anderen ervan vinden. Love yourself, er zijn al anderen genoeg. etc. etc. Maar toen ik laatst een stukje schreef over dingen die ik mooi vind, en het immer hartverscheurende dilemma of je dat wel of niet met anderen wilt delen, merkte ik dat ik bij ‘dingen die ik mooi vind’ zelf meteen dacht dat ik tranentrekkende muziek bedoelde, of een schilderij of zo, of een gedicht. Terwijl ik nota bene wist naar aanleiding van wat ik het stukje schreef, terwijl ik zelf wist wat ik éigenlijk bedoelde. Ik bedoelde comedy.


Nu ben ik toch wel iemand die in haar leven zorgwekkend veel tijd heeft besteed aan het kijken van cabaret en stand up. Op YouTube, op Netflix en in het theater. Ik heb er een mening over, ik kan er uren over praten, en heb er zelfs een godganse blog aan gewijd. En tóch denk ik bij ‘kunst die je raakt’ vooral aan poëzie (?) en sonates (??). En als ik met iemand over theater praat, schaam ik me lichtjes als ik zeg dat ik muziektheater en toneel weliswaar interessant vind, maar mijn grootste belangstelling bij cabaret ligt.


In een podcast zei de Britse comedian Lee Mack iets wat mij aan het denken zette. Hij merkte op hoe, als je naar aanleiding van het overlijden van een dierbare een lied zou zingen, iedereen dat prachtig vindt, terwijl je, als je er grappen over maakt, de kritiek krijgt je gevoelens weg te lachen. Volgens hem is dat scheef, omdat je in beide gevallen je rouw omzet in een vorm van kunst. Een goed punt volgens mij, want gevoelens lach je echt niet zomaar weg. Integendeel, denk ik.


Sommige comedy betekent echt iets voor me. Het kan mij raken. Net zoals ik betoverd kan raken door een boek, of zoals muziek me plotseling kan aangrijpen. Niet op dezelfde manier, maar wél op dezelfde manier. (Ja, sorry, zoek dit maar even zelf uit.) Blijkbaar vind ik dat zelf moeilijk te geloven. Alsof ik denk dat glim- en/of schaterlachen een oppervlakkige bezigheid is. Een bewering die ik, laat ik hier even duidelijk over zijn, tegelijkertijd tot in het diepst van mijn wezen pertinente onzin vind.


Goed. Wat ik eigenlijk wilde zeggen. Ik heb een nieuwe favoriete comedian en hij heet James Acaster. Kijk dat.



zaterdag 4 april 2020

Schuldig


Het was prachtig weer. Zoals eigenlijk de hele week al. De zon scheen, het was een graad of 12. Tijdens het longboarden op het fietspad voor mijn huis deed ik zelfs mijn trui uit. Ik voelde me bevrijd.

Meteen voelde ik ook een sluimerend schuldgevoel. Alsof het ongepast was te genieten. Alsof ik eigenlijk de hele dag stemmig op de bank zou moeten zitten, met een peinzende blik. 

"It's the end of the world as we know it / I feel fine."

Toen ik weer naar binnen wilde, bleek mijn trui gestolen te zijn van het bankje waar ik 'm overheen had gehangen. Toch nog een beetje ellende.

In februari nam ik me voor om elke dag een stukje te schrijven. Toen kwam corona. Nu gaat elk stukje plotseling over corona. Deze is van 25 maart.

Illustratie: Christy Luth

vrijdag 14 februari 2020

De krokusjes komen

Nu ik weer ‘terug’ ben in het voortgezet onderwijs, heb ik opeens allemaal vakanties. Kerst- en zomervakantie natuurlijk, maar ook herfstvakantie, meivakantie en nu: voorjaarsvakantie. Of zei ik voorjaarsvakantie? Ik bedoel natuurlijk krokusvakantie.

Ik ben van mening dat we unaniem moeten overstappen op de term krokusvakantie, dat is echt oneindig veel beter dan voorjaarsvakantie. Nog los van het feit dat het woord ‘krokusje’ gewoon heel lief is, is voorjaarsvakantie veel te droog. Het geeft puur het wanneer aan. Net als herfstvakantie (in de herfst) en meivakantie (in mei). Krokusvakantie gaat over het waarom. We hebben niet zomaar een weekje vrij, het heeft een goede reden. We hebben iets te vieren. Kerst in december, en in februari: de krokusjes!

Ik vind de krokus iets heel goeds om te vieren. Het maakt de toch al fijne vakantie extra speciaal. Ook omdat er iets berustends in zit. We kunnen niet anders. Sorry jongens, de krokusjes komen, leg de pennen neer, tot over een week.

zondag 5 januari 2020

Hoe ik plotseling een hangjongere ben

Ik heb dus een longboard. En sinds dit voorjaar ben ik daar vrij fanatiek mee aan het skaten. Het is een soort buitenspelen voor gevorderden, waar ik erg van geniet. Dat klinkt onschuldig, maar nu blijkt dat ik zodra ik op mijn board stap, een hangjongere word.

Ik merk het aan de mensen met wie ik contact heb. Ik krijg plotseling een knikje van skaters en een shakagebaar van coole dudes op boosted boards. Parkhangjochies kijken instemmend toe. Anderzijds word ik gehaat door windjacks op elektrische fietsen. Skatend op hún fietspad rijd ik hoe dan ook in de weg. Ze werpen beschuldigende blikken als ze om me heen moeten. Ze halen me rechts in en kijken kwaad. Soms voel ik de behoefte een krachtig okboomer hun kant op de sturen, maar eigenlijk kan ik nooit horen wat ze me naroepen, dus in theorie kan het ook een enthousiast “do a kickflip!” zijn. En bovendien heb ik vaak al sorry gezegd.

Het lijkt me zo leuk als de boze windjacks wisten dat er in een ander universum veertienjarigen zijn die mij mevrouw noemen. Ook al iets wat op een groot misverstand berust.

Foto door de fantastische @oh_lina



vrijdag 26 april 2019

Niet geschoten

De taal heeft niet altijd gelijk. Sterker nog, de taal kan ons misleiden. Met verstrekkende gevolgen. Het lijkt alsof de taal er gewoon is om de werkelijkheid te beschrijven, maar niets van dat alles, wij gebrúiken de taal om de werkelijkheid te beschrijven en soms gaat dat helemaal mis. Dan doen we het niet zo zorgvuldig en denken daarna dat de taal gelijk heeft, want de taal zegt het toch. In dat licht ben ik erg voor het stoppen met zeggen dat Columbus Amerika ‘ontdekt’ heeft en het in musea vervangen van ‘slaven’ in ‘tot slaaf gemaakten’.

Zelf wil ik nu even de strijd aangaan met de uitdrukking ‘Niet geschoten, altijd mis.’ Een uitdrukking die, laten we wel wezen, echt helemaal nergens op slaat. Niet geschoten is nooit mis. Wel geschoten daarentegen is zeer waarschijnlijk mis.

Dat de belachelijke uitdrukking nog steeds in de roulatie is, lijkt me meer kwaad dan goed doen. Natuurlijk is er wat voor te zeggen dat je bij weinig kans alsnog iets kunt proberen. Maar niet geschoten is sowieso niet mis. Dat is de hele kwestie. Daarom is een beslissing maken soms ook zo moeilijk. Laat de taal je die troost niet afpakken. De taal heeft echt niet altijd gelijk.

dinsdag 19 maart 2019

Voorprettaal

Vraag: wat is er leuker dan pret?
Antwoord: voorpret.

Het is natuurlijk weinig mindful-living-in-the-moment-happinez van me, maar soms verdenk ik mezelf ervan meer voorpret dan reguliere pret te hebben. Qua kwantiteit sowieso, voor één dag leuks kun je weken aan voorpret ervaren. Hoe langer de in het vooruitzicht gestelde pret duurt, hoe eerder je met verheugen mag beginnen.

In de zomer ga ik twee weken met met mijn broertje interrailen door Oost-Europa, en ik kan je zeggen: de voorpret is reeds in hevige mate aangevangen.

In deze context is er een talige constructie waar ik een groot voorstander van ben. Namelijk: de morgen-zijn-we-nu-constructie. Stel, je gaat morgen met de trein naar Berlijn. De dag van tevoren kun je dan om 7.00 uur heel goed tegen je reispartner zeggen: “Morgen zitten we nu in de trein.” En dan om 15.00 uur: “Morgen zijn we nu op Berlijn Hauptbahnhof.”

Je zou denken dat het makkelijker kan. Je kunt ook zeggen: “Morgen zijn we in Berlijn” of “Morgen zijn we om 15.00 in Berlijn.” Maar zo werkt het niet. Dat is gewoon een droge mededeling. Nee, dan de morgen-zijn-we-nu-constructie (ook beschikbaar in volgende-week-zijn-we-nu en volgende-maand-zijn-we-nu-variant). Die is er niet om informatie te verschaffen, die is er om te zeggen: “stel je eens voor”, “het is bijna zover” en “ik kan niet wachten” ineen.

De morgen-zijn-we-nu-constructie is de vergrammaticalisatie van de voorpret.

donderdag 24 januari 2019

Mijn rijbewijs

“Heb je je rijbewijs al?” vroeg iemand. Nog los van de inhoud (nee juh, ik vond een skelter al lastig, ik houd van treinen, ik woon in Amsterdam), moest ik lachen om deze zin.
De meeste mensen die willen weten of je bevoegd bent om te rijden, stellen de vraag precies zo. Of je ‘je rijbewijs al’ hebt. Er is iets vreemds met die zin aan de hand.
Sowieso het ‘al’. ‘Al’ suggereert dat – als het niet al zo is – het sowieso nog gaat gebeuren. En de bedoeling is. Vergelijk: “Heb je die man vermoord?” En: “Heb je die man al vermoord?” Terwijl, wie weet neem ik wel nooit autolessen, of ik haal ik nooit m’n examen.
Maar, eerlijk is eerlijk, ‘al’ kan ook weg. Mensen zeggen ook: “Heb jij je rijbewijs?” Is nog steeds vreemd. Want het echt vreemde is het ‘je’ van ‘je rijbewijs’. Dat zeggen de meeste mensen. In de niet-representatieve steekproef die mijn leven is, hoor ik significant meer mensen spreken over ‘je/mijn’ rijbewijs dan over ‘een’ rijbewijs. Ook als er van dat hele rijbewijs helemaal geen sprake is.
Voor mij klinkt de vraag “Heb je je rijbewijs al?” toch een beetje alsof het ding in een la van een middelgroot gemeentehuis voor me klaarligt. Voor-, tweede en achternaam erop, pasfotootje erbij, te wachten op het moment dat ik toch eindelijk eens slaag voor m’n rijexamen en het aan mij overhandigd kan worden.
Het maakt het ook een beetje sneu dat ik geen aanstalten maak tot rijlessen. Mijn rijbewijs ligt daar maar. Raakt steeds verderop onderop. Tot ze aan het eind van mijn leven moeten concluderen dat het daar al die tijd voor niks lag. “Ze heeft haar rijbewijs nooit gehaald.”

zaterdag 1 september 2018

De wet van Pikachu

Vroeger mocht ik nooit naar Fox Kids kijken. En ook niet naar Jetix, toen het zo ging heten, of Disney XD. Als ik tv keek, keek ik naar de programma’s van Z@ppelin, op Nederland 3, of naar het Belgische Ketnet. Dat was niet vanuit een pedagogische overtuiging van mijn ouders, ze vonden alle nagesynchroniseerde programma’s gewoon te veel lawaai.

Erg veel leed ik niet onder de regel. Ik zag dan misschien geen Shin Chan, Rocket Power of What’s with Andy, ik keek mooi wel naar Knofje, Otje en Bruine Beer in het Blauwe Huis. Toptijd was het. Op school werd ik niet buitengesloten door het verbod, aantoonbare psychische schade heb ik er ook niet aan overgehouden.

Maar. Natuurlijk komt er nu een maar, want met alleen een verhaal over een gelukkige jeugd zijn we er niet. Er is één reden waarom ik op mijn 23ste nog steeds last heb van de zo verantwoorde televisieopvoeding van mijn ouders. En die reden is Pokémon. Ik keek dus ook geen Pokémon. Dat vond ik niet erg, want als ik het bij vriendinnetjes zag vond ik Pokémon stom, maar verder heeft de hele wereld wél Pokémon gekeken. En dat is niet zonder gevolgen gebleven.

Er blijkt zoiets te bestaan als De wet van Pikachu. Die naam heb ik zelf bedacht. Het mechanisme eronder berust op jarenlange observatie. Het is zoiets als De wet van Godwin, maar dan ongezelliger voor mij. Hij luidt als volgt:

Naarmate gesprekken op feestjes langer duren, nadert de waarschijnlijkheid van het gespreksonderwerp ‘Pokémon’ 1.

Hoe het kan, weet ik niet. Misschien zijn mensen krankzinnig geworden door jarenlange blootstelling aan Fox Kids. Plausibel wel. Of misschien beginnen mensen in langdurende gesprekken koortsachtig te zoeken naar dat ene dat ze sowieso gemeen hebben. Feit is dat ik vanaf dat moment niet meer mee kan doen aan het gesprek. Het niet kennen van Pikachu creëert een hiaat tussen mij en mijn generatie. Zij kennen Pikachu, ik ken Otje.

Ik begreep dan ook niks van de krijg-het-Pokémon-liedje-in-de-top2000-hype, de Otje-soundtrack daarentegen zingen wij Fox Kids-lozen woordelijk mee. Hij doet het niet waowao, hij doet het niet waowao, dát zou een mooi plekje in de lijst der lijsten moeten krijgen.

donderdag 5 april 2018

Door het bos de bomen


Iemand had mij gevraagd een column te schrijven. Het moest gaan over Nederlandstalige liedjes, want daar zijn er veel van en ik luister ze graag. Degene die het me vroeg zat bij een vereniging in Groningen waarvan de leden er prat opgingen dat ze niet van Nederlandstalige muziek hielden. Gewoon niet. Tussen Frans Duijts en Paul de Munnik maakten ze voor het gemak geen onderscheid. Dat er muziek zou kunnen bestaan die ze niet kenden, kwam niet in ze op. Voor hen was het Nederlands geen taal die ze zelf spraken, maar een genre, dat stond voor slechte smaak, bekrompenheid en woorden die onmogelijk poëtisch konden klinken. De meeste van hen studeerden een vreemde taal of volgden hun studie toch op zijn minst in het Engels. Zij waren mannen (m/v) van de wereld en lieten dat graag merken middels hun volhardende doch naïeve minachting voor het Nederlands.

En of ik ze even wilde vertellen dat ze fout zaten. Wilde ik wel. Ik wil graag uitleggen dat het raar, onnodig en vooral ook een beetje zielig is je eigen moedertaal zo te verachten. Dat de aanname dat de ene taal in essentie mooier is dan de andere, een misverstand is. Dat je net zo goed mooie, grappige, verrassende of ontroerende teksten kunt schrijven in het Nederlands. Met voorbeelden, veel voorbeelden. En dat het belangrijk is jezelf en je land niet te serieus te nemen, maar dat je in dezelfde val trapt als je zonder enkele ironie alles wat Nederlands is per definitie veracht.

Dat schreef ik allemaal op. In mijn laatste zinnen vatte ik samen dat het van een vreemd soort arrogantie is om open te staan voor de volledige brei aan anderstalige muziek, maar eventuele Nederlandstalige parels per definitie geen aandacht te gunnen. ‘Dan zie je’, zo schreef ik op, ‘door het bos de bomen niet meer.’

Ik geef toe, de nieuwe Drs. P. ben ik niet, maar ik vond het zelf best leuk gevonden. De redactie van het verenigingsblad dacht daar anders over. Of meer voor de hand liggend, dacht daar überhaupt niet over. Zonder met mij te overleggen verbeterden ze de zin naar ‘Dan zie je door de bomen het bos niet meer.’ Weg grapje. Weg betekenis. Weg mijn zo zorgvuldig geconstrueerde betoog.

Sindsdien heb ik het min of meer opgegeven andersgestemden met argumenten te overtuigen van hun ongelijk. Alleen de guerrillatactiek wil ik nog wel eens gebruiken, door anderen onverwacht te confronteren met een mooie zin. Ik ben zo moe, pak jij even mijn biezen? BAM.

zondag 31 december 2017

Alsof er niets is gebeurd

Vallen de grachten door de sluizen
En wie valt doet niet meer mee
De rivier draagt, als domme kracht
Het water naar de zee
Alsof er niets is gebeurd
Uit: Alsof er niets is gebeurd – Maarten van Roozendaal

Het is moeilijk als mensen doodgaan. Vooral als het mensen zijn die je kent. Maar ook als het mensen zijn die helemaal niet kent. Kende. Eberhard van der Laan was zo’n man die ik niet kende en doodging.

Op de ochtend van 7 oktober zag ik het in een NOS-pushmelding en ik schrok. Ik twijfelde even of dat wel terecht was, maar het was al gebeurd. Ik wist dan niet wie hij was precies, maar wel dat hij veel voor mensen betekende. Dat hij zo lief, een verbinder, zoveel hield van de stad en de stad van hem.

Ik had geen tranen bij de gedachte aan zijn toch nog plotselinge dood. De brok ik mijn keel kwam toen ik de vlag op het gemeentehuis in de storm halfstok zag wapperen. En op de pontjes. En op zomaar een woonhuis weer. En vooral bij de aanblik van de stad eronder die gewoon doorraasde. Met bellende fietsers en – zo stelde ik mij voor – een jongen die op een bakfiets oude wasmachine meenam.

En dan had je Twitter. Rutte had iets gezegd en mensen hadden staan zingen voor de ambtswoning. De NOS had iets pompeus geschreven. Mensen vonden het maar overdreven. En hoewel ik dat ontzettend goed begreep, werd ik toch een beetje boos. Je neemt mensen hun plezier niet af. Maar zeker niet hun verdriet.


dinsdag 5 december 2017

Stemvorkwoorden


Oké, ik moet het toegeven, er waren dingen die ik als kind geloofde waar ik nu wel eens mijn twijfels bij heb. Sinterklaas bijvoorbeeld. Dat mijn vader het nummer van Beatrix in zijn telefoon had. Dat mijn opa en oma beschikten over iets met de naam ‘poeperoetsj’ waar ik mee te maken kon krijgen als ik me niet gedroeg. Maar ik was niet achterlijk. Er waren dingen die te ver gingen. Waar ik, in tegenstelling tot mijn leeftijdsgenoten, het complot doorzag.

Een van mijn heldere moment was tijdens de muziekles in groep vijf. Samen met meester Yme studeerden we liedjes in. I like the flowers, Fietsie foetsie is mijn fietsie, dat soort werk. Elke keer voordat we een lied inzetten, haalde hij een metalen voorwerpje tevoorschijn waarmee hij op de tafel tikte en dat hij vervolgens bij zijn oor hield. Hij keek er heel geheimzinnig bij. Met het ding kon hij horen op welke toon hij moest beginnen.

Haha. Daar trapte ik dus niet in. Ik moest erom lachen dat de andere kinderen in de klas het geloofden, want hier was ik toch net een tikkeltje te pienter voor. Een stemvork. Alleen de naam al maakte het niet bijster geloofwaardig. Je kunt de zee niet in een schelp horen en al helemaal geen muziek in een metalen stokje.

Och, wat vond ik mezelf scherpzinnig.

Nog steeds kom ik zo nu en dan tot zo’n ontdekking. Blijkt iets opeens echt te zijn, terwijl ik altijd heb gedacht dat het thuishoorde in de categorie kabouters, lurven, Sint Juttemis. Tadzjikistan bijvoorbeeld. Is dus echt een land. Bacillen, is helemaal geen door kleuters verzonnen woord. Aeroflot is daadwerkelijk een luchtvaartmaatschappij. En pas toen de kranten op 24 april dit jaar meldden dat Chriet Titulaer was overleden, kwam ik erachter dat dat toch geen typetje van Koot en Bie was, maar een onvervalst mens mét een carrière en zonder plakbaard.

Ik houd een lijstje bij met dit soort zaken. Het lijstje groeit gestaag. Ik noem het mijn stemvorkwoorden.

vrijdag 20 januari 2017

De collega

Drie maanden lang liep ik stage bij de Volkskrant. Wat ik meemaakte hield ik bij in een document met de titel 'De journalistieke avonturen van een aubergine'. (Hierom). Dit gebeurde in een van mijn eerste weken.

Lekker in de wind sta ik voorop het pontje van Noord naar het Centraal Station. Ik ben op weg naar Theater Bellevue, de overtocht is een welkome afwisseling met het bezwetende fietsen in de hitte die er op miraculeuze wijze op 13 september nog is. Opeens voel ik een ferme (dit is echt het goede woord, ferm) tik tegen mijn arm.
‘Hee! Collega!’
Ik kijk om. Ik herken de man op zich wel. En aan zijn begroeting kan ik afleiden dat dat waarschijnlijk is omdat hij ook bij de Volkskrant werkt. Wel vraag ik me af waarom hij me zo amicaal aankijkt, maar echt tijd om erover na te denken heb ik ook weer niet.
‘Hee hoi!’ Zeg ik. Ik hoor de blij verraste toon in mijn stem.
‘Was je net ook bij die persconferentie?’
‘Wat?’ (De veerpont maakt geluid, moet je weten)
‘Was je net ook bij die persconferentie?’
‘Nee, nee, ik woon hier. Ik ga naar het theater nu.’
‘Voor een stukje?’
‘Nee, gewoon voor mezelf.’
Ondertussen blijf ik denken. Zou ik moeten weten wie hij precies is?
De Collega houdt een heel verhaal. Hij was bij een persconferentie, gaat naar een ouderavond van zijn zoontje en moet daarna nog naar Den Haag voor een journalistenvisum want dat moet van de chef buitenland, anders kunnen er dingen fout gaat. Het gesprek, waar ook ik mijn deel in heb, vervolgt over landen waar je als journalist alleen met een speciaal visum heen mag.
Voor omstanders op de pont waarschijnlijk een niet heel opmerkelijk gesprek, bij mij nog steeds verbazing. Als hij inderdaad bij buitenland werkt, nota bene een andere redactieruimte, waarom doen we dan zo collegiaal (bijna amicaal) en hoe weet hij überhaupt dat we collega’s zijn?
We nemen afscheid, ‘succes!’ ‘Joe!’ ‘Fijne avond!’ en ik fiets verder. Ik vind het een vriendelijke man. Als ik hem nu tegenkom op de redactie knik ik of steek ik een hand op.

Met Rutger zit ik op het terras in centrum Amsterdam. 15 september, nog steeds absurd warm. ‘Er zit hier een bekende schrijver,’ vertelt hij.
‘Wie?’
‘Peter Buwalda.’
‘Cool.’
Bij het afrekenen aan het eind van de avond, sta ik achter hem in de rij. Ik ben licht gefascineerd door het feit dat hij zulke dunne benen heeft en eigenlijk ook dat hij voor mij in de rij staat.

Vrijdag 16 september. Aandachtig lees ik katern V. Op pagina V9 staat een column van Peter Buwalda. Ik app een foto naar Rutger. Hij reageert: ‘Collega! Je had hem op de schouder moeten slaan. En dan een heel verhaal over dat congres waar je was.’ Hij heeft gelijk, een gemiste kans. Wie weet had ik hem achtergelaten in dezelfde ontgoocheling als de Collega Buitenland mij.

Later bleek Collega Buitenland geen Collega Buitenland. Hij is reisjournalist en werkt bij het magazine.

zaterdag 16 juli 2016

Graag geen flauwekul schrijven


Bij wijze van bijbaantje schrijf ik af en toe teksten voor een contentbureau. Je moet je daar niet teveel van voorstellen, het zijn vaak teksten die niemand leest, maar waar, stel dat er toch eens iemand het leest, niet al te veel onzin in moet staan. Het zijn de teksten die je vindt als je bij webshoppagina’s helemaal naar beneden scrollt of op blogs van websites die puur en alleen bestaan omdat de website dan voller is. Geen teksten om te lezen dus, maar teksten om gevonden te worden op Google.

Het feit dat ik geen publiek heb, maakt niet dat het niet ontzettend leuk is om te schrijven. De pret begint al bij de briefing van de opdrachtgever. Zo zijn er opdrachtgevers die geen flauw idee hebben wat ze aan het doen zijn. ‘Gebruik een specifieke woordenschat. Gebruik geen specifieke woordenschat’ is een veel gebezigde opdracht. Zo werkt het natuurlijk niet, maar het geeft niet. Het zijn de opdrachtgevers die doorgaans niet heel veeleisend zijn. Soms vraag ik me af wat er zou gebeuren als ik gewoon het lorem ipsum zou inleveren.

Veel erger zijn de opdrachtgevers die niet weten wat ze vragen. ‘Schrijf een tekst van 300 woorden met daarin 25 x “naam bedrijf”, 20 x het keyword “Hamburg”, 15 x het keyword “autoverhuur” en 10 x het keyword “autoverhuurbedrijf”.’ En dan om een revisie vragen met het commentaar ‘de tekst leest niet heel prettig, maak de tekst prettiger leesbaar.’ ‘NATUURLIJK LEEST DE TEKST NIET PRETTIG IDIOOT’ typ ik dan. Ik verzend nooit, ik herschrijf de tekst en plak mijn ergernis in het mapje voor het moment dat ik deze blog ga schrijven. Memorabel was ook de keer dat ik van een wielrenwebshop de opdracht kreeg om een tekst te schrijven met het onderwerp ‘fietsonderdelen’. Tot drie keer toe kreeg ik het commentaar ‘de tekst is erg algemeen, maak de tekst specifieker’. Drie keer paste ik één woord aan en leverde de tekst weer in. Toen werd hij geaccepteerd. ‘Hartelijk dank. Precies zoals we verwacht hadden!’ stond erbij geschreven.

Favoriet zijn bij mij de opdrachtgevers die ietwat hulpeloos overkomen. Ik schreef eens teksten over fitnessapparaten en proteïneshakes. In de briefing stond: ‘Geen “lieve” taal zoals “wees lief voor uw rug.” De doelgroep is namelijk de krachtsporter.’ Ik schreef een heel stoere teksten met stoere woorden. ‘Eitwitrijk’ bijvoorbeeld, en ‘spiermassa.’ Dat was goed. Maar het leukst is mijn allerfavorietste opdrachtschrijver, helaas zonder naam, die in elke briefing zet: ‘Graag geen flauwekul schrijven, want directeuren moeten dit lezen.’ Ik vind dit zo onwaarschijnlijk grappig (echt onredelijk grappig) dat ik nu ik het opschrijf weer hardop lach, terwijl ik de briefing toch al zo’n tien keer heb doorgenomen. ‘Graag geen flauwekul schrijven, want directeuren moeten dit lezen.’ Het roept zoveel vragen bij mij op. Mag ik anders wel flauwekul schrijven? Zijn het alleen directeuren die het doorhebben als je flauwekul schrijft? Wat zijn precies ‘directeuren’, wat is dat voor groep? En ben jij er misschien een beetje bang voor?

Verder wordt mij regelmatig gevraagd spatiefouten (vakantie huisje) en spellingfouten te maken (‘helicopter met een c is perfect!’), komen er auteurs bij mijn teksten te staan die ík niet ben en schrijf ik teksten waarvan ik niet wist dat ik het in mij had. Een blog over Chardonnay voordat ik ooit een slok wijn had gehad, een übertrendy tekst over Calvin Klein-onderbroeken vol met English words omdat dat volgens de opdrachtgever stylish overkomt. En, sinds kort, hele reeksen productomschrijvingen van dildo’s, vaginale balletjes en opblaaspoppen. Super netjes en informatief allemaal, want het is voor bol.com, maar toch heb ik naderhand maar even mijn internetgeschiedenis gewist. Om gênante situaties te voorkomen. ‘Ik kan het uitleggen!’

Inmiddels schrijf ik er niet zo vaak meer voor omdat ik een vakantiebaan heb bij de Heerenveense Courant. Gelukkig kwam ik er vandaag achter dat ik niet bang hoef te zijn dat de grappige situaties verdwijnen. Ik had een mail van een vrouw die een heel (slecht geschreven) stuk over cavia’s* had gemaakt. Dat mocht niet in de krant van ons. Waar ik niet aan dacht toen ik antwoordde dat ‘het niet helemaal past binnen het soort artikelen dat we normaal gesproken in de krant plaatsen en dat het dus niet gepubliceerd zal worden’, was dat mijn telefoonnummer standaard onder mijn mailtjes staat. Vandaag werd ik gebeld. Ze kwam vertellen dat ze toch wel heel erg jammer vond. ‘Want cavia’s zijn wel een heel actueel onderwerp, ook in Heerenveen.’

*Wegens privacyredenen is het diersoort gefingeerd.

dinsdag 7 juni 2016

Ik viel uit een touw en moest huilen


Ik ben 21 jaar. Zondag huilde ik omdat iets niet lukte. Het was niet een klein snikje of een symbolische traan, ik huilde echt, als een klein kind. Een klein kind van 21.

Zondag deed ik mee aan de survivalrun in De Knipe. Recreanten, 7 kilometer. Van tevoren was ik wat gespannen, maar ik had er zin in. Het was prachtig weer, ik kan de apenhang en de voetklem. De buurman had mijn zere enkel stevig ingetapet en mijn ouders en broertje stonden met de fiets klaar om mij waar nodig aan te moedigen.

Maar het lukte niet. Nadat ik succesvol 4 meter omhoog was geklommen, 10 meter had ge-apenhangd, swing-overs had gedaan, door banden was gelopen, onder netten was geklauterd, kwam ik niet over een balk heen. Ik was al twee keer tot de balk omhoog geklommen, de derde keer was ik er bijna over, maar viel ik eruit. Ik wist dat het me niet meer zou lukken en ik moest huilen. Niet omdat het pijn deed, - al waren mijn armen keihard – maar uit pure frustratie. Hoezo kon ik dit niet? Een paar jaar geleden kon ik dit wel.

Ik geloof niet dat er veel tranen waren. Ze vielen in ieder geval niet op tussen de modderstrepen op mijn gezicht. Ik wist niet dat ik dit belangrijk vond, laat staan dat ik er gefrustreerd van kon raken.

Ik heb er geen spijt van dat ik daar mijn bandje heb afgescheurd. Het was me niet gelukt, ook niet met een vierde, vijfde of zesde poging. Ik heb geen spijt, maar wel een doel voor ogen: volgend jaar lukt het me. Dan ben ik 22 jaar. 22-jarigen huilen niet.

P.S. Complimenten voor Eline, die op een stukje enteren na alles haalde. En voor broer Wouter, die het godganse parcours twee keer liep.

Update 2017: Dit jaar was ik inderdaad 22, en ik huilde niet:



dinsdag 3 mei 2016

Prince ging dood

Prince ging dood. Ik wist niet echt dat hij nog leefde, maar als zo iemand dan dood gaat, is dat toch erg. Ik kende Purple Rain, bij nader inzien ook Kiss. Ik kende eigenlijk niemand die veel meer nummers kende. Toch was ik 27 april bij de Prince Tribute Project op de Grote Markt. Er hing een zweem van respect, ik voelde me er licht misplaatst. Ik was overduidelijk niet de enige die gewoon even was gaan kijken nu het toch droog was, maar toch voelde het niet helemaal kloppend. Links van me sloegen twee 50+-vrienden een arm om elkaar heen, een paar rijen ervoor veegde iemand al bij de eerste noten van Purple Rain een traan van zijn wang. 'Sorry,' wilde ik zeggen, 'sorry dat ik geen flauw idee heb wie Prince was.'

dinsdag 26 april 2016

Maar éigenlijk is het al morgen

Morgen in het Koningsdag (door mij steevast uitgesproken als koninginneeuhkoningsdag), dus vanavond is het Koningsnacht. Ik zal me daar verder niet te veel over uitlaten (leve de Farao!), maar wel wil ik het even hebben over iets wat onvermijdelijk gaat gebeuren. Iets dat überhaupt onvermijdelijk is als groepen vrienden samen feestvieren en zo de grens van 0:00 passeren. Het betreft de volgende situatie:

Het is een uur of 04:00, een dronken vriendengroep staat licht versuft bij de Febo, lauw broodje kroket in ene hand, plastic beker bier in de andere hand.
Vriend 1: Oh, man, en ik moet dus morgen al om elf uur werken hè.
Vriend 2: Je bedoelt vandaag. Het is al twaalf uur geweest dus het is vandaag.

Het broodje kroket kan best een frikandel of een bamischijf zijn, de tijd, de plaats, de mensen, het maakt allemaal niks uit. Als iemand het over ‘morgen’ heeft terwijl het technisch gezien al ‘vandaag’ is, is er altijd iemand die, met een kop alsof ie iets heel intelligents zegt, antwoordt dat het éigenlijk vandaag is. Waarom doen mensen dat? Dat hoeft toch helemaal niet? Het zijn vast dezelfde mensen die ‘ja’ antwoorden op de vraag of ze een glas willen aangeven en je dan heel triomfantelijk aankijken. Het is irritant, volstrekt onorigineel, maar bovendien ben ik het er absoluut niet mee eens.

Ik heb de volgende pragmatische opvatting over het woord ‘morgen’: Het is pas de volgende dag als je geslapen hebt. Dus als je het om vier uur ’s nachts over ‘morgen’ hebt, betekent dat ‘zodra ik wakker word’, al dan niet met knallende koppijn. Er zijn twee uitzonderingen op deze regel.
1. Als je de hele nacht doorhaalt en dus niet gaat slapen. In dat geval is het ‘morgen’ zodra normale mensen opstaan en aan hun dag beginnen.
2. Verjaardagen. Op verjaardagen is het toegestaan iemand om twaalf uur te feliciteren. Dat is niet zo consequent, maar wel gezellig. (Maar ook dan: ‘morgen’ betreft dan nog steeds je verjaardag. Fijn hè?)

Ik stel voor dat iedereen hier aan mee doet. Vanavond is een mooie avond om er mee te beginnen.

Willem Willy Alexander en Maxima
Máxima stop.

zaterdag 2 april 2016

Nick en Simon


Handtekeningen Nick en Simon

Ik heb een tijdje gehad dat ik op Youtube filmpjes keek van Nick en Simon. Noem het een guilty pleasure. Nick & Simon The American Dream, De zomer voorbij,  de cameraploeg van een onduidelijk tv-programma thuis bij Nick Schilder. Ik vermaakte me er ontzettend mee, ik vond het oprecht leuk. Alleen de liedjes sloeg ik over, daar vond ik weinig aan. Ik keek hooguit de making of.

Ik was lichtelijk gefascineerd door hun onophoudelijke geouwehoer, door hun humor, zelfs door hun dialect. Ik moest me inhouden niet te vaak een gesprek te beginnen met: ‘Ik keek laatst een filmpje van Nick en Simon…’ Want hoewel ik probeerde me er niet voor te schamen, wilde ik ook weer niet overkomen als gekkie.

In die periode (het was maar een periode, het is over, ik vind het nog steeds leuke mannen), kwam ik een filmpje tegen over een vrouw van middelbare leeftijd die de handtekening van Simon op haar rug had laten tatoeëren1. Simon wist dat en was het er helemaal niet mee eens. Hij leek bozig, een beetje ongemakkelijk vooral. De vrouw was er uitzinnig blij mee. Het was een heel naar fragment om naar te kijken, in mijn herinnering.

Ik kan me er alles bij voorstellen dat je fan wordt van Nick en Simon. Dat je een dekbedovertrek met hun hoofden erop koopt, vind ik al iets moeilijker te begrijpen. Maar dat je Simons handtekening laat tatoeëren, dat vind ik niet alleen raar, maar ook benauwend.

Het gaat mij niet om de tatoeage an sich. Dat je iets laat tatoeëren wat veel betekenis voor je heeft, snap ik nog wel. Hier gaat het al een beetje mis, want wat is in vredesnaam de speciale waarde van een handtekening? Maar tot hier is bij mij slechts onbegrip, het benauwende komt nu pas. Dat zit in het waarde hechten aan die handtekening. Het is een soort op-de-foto in extremis. Ik heb al vrij veel moeite met het idee van op de foto gaan met je idool. Begrijp me niet verkeerd, ik heb absoluut niks tegen mensen die dat wel doen, maar ik zou het zelf nooit doen. Niet omdat ik het stom vind, maar omdat het iets intens ongemakkelijks heeft. Je gaat op de foto met iemand die jou niet kent en jij bent daar blij mee. Een handtekening is daar een extreme vorm van, het vastleggen op je huid in plaats van op foto al helemaal. Daar komt nog bij dat Simon er op zijn zachtst gezegd niet echt blij mee was. Hoe kun je nou gelukkig zijn met zo’n tatoeage als jouw idool het zelf vervelend vindt? Alle speciale waarde die die handtekening al had, is dan toch helemaal beneden nul?

Het zit me hoog, merk ik. Dat ik het filmpje zag, is zo’n vier jaar geleden. Soms denk ik er opeens aan terug en heb ik even een knoop in mijn buik. Zelfs het opschrijven kostte me hartgrondige inspanning. Ik vind fan-zijn een beetje eng. Misschien omdat ik het heel erg in de verte wel begrijp. Ook ik keek die filmpjes, stuk voor stuk.

1Ik kan het fragment niet meer vinden. Ik heb niet heel goed gezocht, want ik wil het eigenlijk helemaal niet zien, maar wel een beetje goed.

maandag 30 november 2015

Danku sinterklaarsje


Sinterklaas intocht 2015 hallootjes
Dit zei hij echt. <3
Het was zaterdag 14 november. Ik werd langzaam wakker en hoorde dat het buiten waaide en regende. Het eerste wat ik dacht was, ‘er was iets leuks vandaag!’ en vervolgens ‘de intocht van Sinterklaas!’ Dit is geen grapje, dat dacht ik echt. Terwijl ik uit mijn bed rolde, hoopte ik dat het weer wat zou opknappen. Dat hoopte ik voor de kinderen hoor, en voor sinterklaas en de pieten, want je moet niet denken dat ik zo diehard ben dat ik aan de kant van de weg ga staan zwaaien. Nee, ik kijk het verslag van het sinterklaasjournaal wel terug. Dan kun je het ook veel beter zien.

De tijd dat sinterklaas in het land is, is mijn favoriete periode van het jaar. Zonder twijfel. Juist nu in mijn familie iedereen de geloofleeftijd voorbij is, is pakjesavond dé gebeurtenis van het jaar met een grote hoofdrol voor de gedichten. Met zijn twaalven behandelen we op vijf december zo’n 50 sinterklaasgedichten. (Zit daar een systeem in? Ja.) Het is absoluut niet de bedoeling dat je met je rijmpje iemand helemaal de hemel in prijst, een beetje kritisch iemand de gek aan steken is wenselijk. Hoe harder er gelachen wordt, hoe beter. We hanteren een systeem waarbij iedereen de gedichten voorleest die hij zelf geschreven heeft. Dat is niet raar maar noodzakelijk. In een talige familie als de onze komt het de sfeer niet ten goede als iemand met zijn hakkelende voorlezen, foute nadrukken en misplaatste klemtonen jouw met zoveel aandacht geconstrueerde gedicht helemaal verpest. Het belang van de gedichten wordt elk jaar mooi geïllustreerd doordat er de middag van 5 december nog iemand met het gezicht van een oorwurm en een kladblok op de bank zit. Rijmwoordenboek in de hand, de familietraditie vervloekend. EN WAAR IS DE PLAKBAND!?

Sinterklaas is heus niet alleen een kinderfeest (disclaimer: ja, die zijn wel het belangrijkst hoor). Elke avond kijk ik het sinterklaasjournaal. Niet om zes uur, maar om een uur of negen via uitzending gemist. Eerst het NOS-journaal, dan het sinterklaasjournaal. Soms ben ik laat thuis en heb ik geen tijd voor het achtuurjournaal, dan kijk ik alleen het sinterklaasjournaal. Waarom? Omdat het een ontzettend leuk, mooi en goed gemaakt programma is. Mijn nieuwe levensdoel is om bij het sinterklaasjournaal te werken en ik verheug me op vanavond want ik ben erg benieuwd wat Sinterklaas nou steeds met Opapiet uitspookt.  Het programma houdt me in de waan van de magie van sinterklaas. Na elke aflevering heb ik meer zin in zaterdag. Ik zal een knuffel in mijn schoen doen en een hunebedsteen voor de deur leggen. Dag hoor!

Sinterklaas dag hoor meme



donderdag 22 oktober 2015

Nare dingen in een fijn leven


Het Nederlands een lelijke taal

Een week gevoel van medelijden maakt zich van mij meester als ik iemand weer eens hoor zeggen: ,,Maar het Nederlands is toch een heel lelijke taal?’’ Ik snap niet waar het vandaan komt dat Nederlanders zo’n buitenproportionele afkeer hebben van hun eigen taal. Dat vind ik niet eens per se heel erg, eerder jammer (ik ben niet bóós, ik ben teléúrgesteld), want wat hebben ze ongelijk. En wat verdrietig dat ze dat zelf niet door hebben.

Gelukkig houd ik wel van onze taal en beleef ik daar bespottelijk veel plezier aan. Zo houd ik bijvoorbeeld een lijstje bij van mooie en lelijke woorden. Moet wel even het misverstand uit de wereld geholpen dat lelijke woorden geen woorden zijn met een vervelende betekenis. Zij die zeggen dat ze, ik noem maar iets, 'gedoogpolitiek' een lelijk woord vinden wantrouw ik. Niet omdat ze waarschijnlijk iets tegen gedogen hebben, maar omdat ze niet begrijpen dat een lelijk begrip niet hetzelfde is als een lelijk woord.

"Ik ben niet bóós, ik ben teléúrgesteld"

Om maar even een voorbeeld te geven, ik vind ‘naar’ een mooi woord. Dat komt door de klank. 'Naar' klinkt ook echt naar. Je kunt zeggen dat iets vervelend is, of irritant, maar dat is echt iets heel anders dan NAAR. De bus missen is vervelend, dat de wifi het steeds niet doet irritant, maar als je op een stortregenachtige herfstdag op een nat zadel moet gaan zitten, terwijl je jas ook al doorweekt is en je een keelpijn op voelt komen, dan is dat naar.  Zodoende houd ik zelf een lijstje bij met ‘nare dingen in een fijn leven’ waar naast ‘op een nat zadel gaan zitten’ en ‘keelpijn voelen opkomen’ ook ‘de wekker’ en ‘de natte sjaal’ staan. Het lijstje groeit gestaag, er zijn niet veel dingen in een fijn leven die precies bij dit mooie woord passen.

Lelijke woorden op mijn lijstje zijn ‘beige’, ‘orgel,’ ‘zalm’ en ook het jeuk veroorzakende ‘crea-bea’ en het afgrijselijke ‘slufter’ (zeker in combinatie met een slissende aardrijkskunde lerares geen aanrader). Andere mooie woorden zijn ‘wortel,’ ‘bedachtzaam,’ ‘pietenpak,’ (ritme van de Radetzky Mars) ‘wildbreien,’ het voorvoegsel ‘bere-‘ (serieus, alles met bere-  klinkt gezellig, zelfs ‘berechagrijnig’) en ‘belabberd’.

Het lijstje met mooie woorden is uiteraard langer, want ik houd van onze taal. Had het niet zo’n ontzettende Rita-Verdonk-associatie, dan zou ik zeggen dat ik ‘trots op Nederlands’ was. En zij die het Nederlands lelijk vinden moeten zich in een hoekje gaan zitten schamen, of misschien gewoon beter opletten. Voor hun eigen bestwil ook, want elke dag moeten praten in een taal die je veracht, dat lijkt me een typisch gevalletje van ‘naar’. Desalniettemin. Verkneukelen. Nurks.

Om over de leuke dingen die je met taal kunt doen nog maar te zwijgen. Daar schreef ik vorig jaar iets over. Met dingen.