• Alles
  • Columns
  • Verhalen
  • Gedichten

vrijdag 26 april 2019

Niet geschoten

De taal heeft niet altijd gelijk. Sterker nog, de taal kan ons misleiden. Met verstrekkende gevolgen. Het lijkt alsof de taal er gewoon is om de werkelijkheid te beschrijven, maar niets van dat alles, wij gebrúiken de taal om de werkelijkheid te beschrijven en soms gaat dat helemaal mis. Dan doen we het niet zo zorgvuldig en denken daarna dat de taal gelijk heeft, want de taal zegt het toch. In dat licht ben ik erg voor het stoppen met zeggen dat Columbus Amerika ‘ontdekt’ heeft en het in musea vervangen van ‘slaven’ in ‘tot slaaf gemaakten’.

Zelf wil ik nu even de strijd aangaan met de uitdrukking ‘Niet geschoten, altijd mis.’ Een uitdrukking die, laten we wel wezen, echt helemaal nergens op slaat. Niet geschoten is nooit mis. Wel geschoten daarentegen is zeer waarschijnlijk mis.

Dat de belachelijke uitdrukking nog steeds in de roulatie is, lijkt me meer kwaad dan goed doen. Natuurlijk is er wat voor te zeggen dat je bij weinig kans alsnog iets kunt proberen. Maar niet geschoten is sowieso niet mis. Dat is de hele kwestie. Daarom is een beslissing maken soms ook zo moeilijk. Laat de taal je die troost niet afpakken. De taal heeft echt niet altijd gelijk.

dinsdag 19 maart 2019

Voorprettaal

Vraag: wat is er leuker dan pret?
Antwoord: voorpret.

Het is natuurlijk weinig mindful-living-in-the-moment-happinez van me, maar soms verdenk ik mezelf ervan meer voorpret dan reguliere pret te hebben. Qua kwantiteit sowieso, voor één dag leuks kun je weken aan voorpret ervaren. Hoe langer de in het vooruitzicht gestelde pret duurt, hoe eerder je met verheugen mag beginnen.

In de zomer ga ik twee met met mijn broertje interrailen door Oost-Europa, en ik kan je zeggen: de voorpret is reeds in hevige mate aangevangen.

In deze context is er een talige constructie waar ik een groot voorstander van ben. Namelijk: de morgen-zijn-we-nu-constructie. Stel, je gaat morgen met de trein naar Berlijn. De dag van tevoren kun je dan om 7.00 uur heel goed tegen je reispartner zeggen: “Morgen zitten we nu in de trein.” En dan om 15.00 uur: “Morgen zijn we nu op Berlijn Hauptbahnhof.”

Je zou denken dat het makkelijker kan. Je kunt ook zeggen: “Morgen zijn we in Berlijn” of “Morgen zijn we om 15.00 in Berlijn.” Maar zo werkt het niet. Dat is gewoon een droge mededeling. Nee, dan de morgen-zijn-we-nu-constructie (ook beschikbaar in volgende-week-zijn-we-nu en volgende-maand-zijn-we-nu-variant). Die is er niet om informatie te verschaffen, die is er om te zeggen: “stel je eens voor”, “het is bijna zover” en “ik kan niet wachten” ineen.

De morgen-zijn-we-nu-constructie is de vergrammaticalisatie van de voorpret.

donderdag 24 januari 2019

Mijn rijbewijs

“Heb je je rijbewijs al?” vroeg iemand. Nog los van de inhoud (nee juh, ik vond een skelter al lastig, ik houd van treinen, ik woon in Amsterdam), moest ik lachen om deze zin.
De meeste mensen die willen weten of je bevoegd bent om te rijden, stellen de vraag precies zo. Of je ‘je rijbewijs al’ hebt. Er is iets vreemds met die zin aan de hand.
Sowieso het ‘al’. ‘Al’ suggereert dat – als het niet al zo is – het sowieso nog gaat gebeuren. En de bedoeling is. Vergelijk: “Heb je die man vermoord?” En: “Heb je die man al vermoord?” Terwijl, wie weet neem ik wel nooit autolessen, of ik haal ik nooit m’n examen.
Maar, eerlijk is eerlijk, ‘al’ kan ook weg. Mensen zeggen ook: “Heb jij je rijbewijs?” Is nog steeds vreemd. Want het echt vreemde is het ‘je’ van ‘je rijbewijs’. Dat zeggen de meeste mensen. In de niet-representatieve steekproef die mijn leven is, hoor ik significant meer mensen spreken over ‘je/mijn’ rijbewijs dan over ‘een’ rijbewijs. Ook als er van dat hele rijbewijs helemaal geen sprake is.
Voor mij klinkt de vraag “Heb je je rijbewijs al?” toch een beetje alsof het ding in een la van een middelgroot gemeentehuis voor me klaarligt. Voor-, tweede en achternaam erop, pasfotootje erbij, te wachten op het moment dat ik toch eindelijk eens slaag voor m’n rijexamen en het aan mij overhandigd kan worden.
Het maakt het ook een beetje sneu dat ik geen aanstalten maak tot rijlessen. Mijn rijbewijs ligt daar maar. Raakt steeds verderop onderop. Tot ze aan het eind van mijn leven moeten concluderen dat het daar al die tijd voor niks lag. “Ze heeft haar rijbewijs nooit gehaald.”

woensdag 10 oktober 2018

Er is een man gebroken

Er is een man gebroken
Niet heel ver hiervandaan
Op een bewolkte donderdagmiddag
Het zou bijna sneeuwen gaan

Het was op straat
Daar waar de Ferdinand Bol kruist met de Albert Cuyp
Precies daar is een man gebroken
Het was nauwelijks te zien van buiten

Er waren mensen, genoeg mensen
De verkoper van de bloemenkraam
Het meisje dat een meter later
Voor hem aan de kant zou gaan

De man in pak die belde
Zij met de ratelende fiets
Maar dat een man daar zomaar brak
Niemand merkte iets

Daar waar de Ferdinand Bol kruist met de Albert Cuyp
Wordt nog onaangedaan gelopen
Maar wie het weet, zal altijd voelen
Hier, hier is een man gebroken

Daar waar de Ferdinand Bol kruist met de Albert Cuyp

zaterdag 1 september 2018

De wet van Pikachu

Vroeger mocht ik nooit naar Fox Kids kijken. En ook niet naar Jetix, toen het zo ging heten, of Disney XD. Als ik tv keek, keek ik naar de programma’s van Z@ppelin, op Nederland 3, of naar het Belgische Ketnet. Dat was niet vanuit een pedagogische overtuiging van mijn ouders, ze vonden alle nagesynchroniseerde programma’s gewoon te veel lawaai.

Erg veel leed ik niet onder de regel. Ik zag dan misschien geen Shin Chan, Rocket Power of What’s with Andy, ik keek mooi wel naar Knofje, Otje en Bruine Beer in het Blauwe Huis. Toptijd was het. Op school werd ik niet buitengesloten door het verbod, aantoonbare psychische schade heb ik er ook niet aan overgehouden.

Maar. Natuurlijk komt er nu een maar, want met alleen een verhaal over een gelukkige jeugd zijn we er niet. Er is één reden waarom ik op mijn 23ste nog steeds last heb van de zo verantwoorde televisieopvoeding van mijn ouders. En die reden is Pokémon. Ik keek dus ook geen Pokémon. Dat vond ik niet erg, want als ik het bij vriendinnetjes zag vond ik Pokémon stom, maar verder heeft de hele wereld wél Pokémon gekeken. En dat is niet zonder gevolgen gebleven.

Er blijkt zoiets te bestaan als De wet van Pikachu. Die naam heb ik zelf bedacht. Het mechanisme eronder berust op jarenlange observatie. Het is zoiets als De wet van Godwin, maar dan ongezelliger voor mij. Hij luidt als volgt:

Naarmate gesprekken op feestjes langer duren, nadert de waarschijnlijkheid van het gespreksonderwerp ‘Pokémon’ 1.

Hoe het kan, weet ik niet. Misschien zijn mensen krankzinnig geworden door jarenlange blootstelling aan Fox Kids. Plausibel wel. Of misschien beginnen mensen in langdurende gesprekken koortsachtig te zoeken naar dat ene dat ze sowieso gemeen hebben. Feit is dat ik vanaf dat moment niet meer mee kan doen aan het gesprek. Het niet kennen van Pikachu creëert een hiaat tussen mij en mijn generatie. Zij kennen Pikachu, ik ken Otje.

Ik begreep dan ook niks van de krijg-het-Pokémon-liedje-in-de-top2000-hype, de Otje-soundtrack daarentegen zingen wij Fox Kids-lozen woordelijk mee. Hij doet het niet waowao, hij doet het niet waowao, dát zou een mooi plekje in de lijst der lijsten moeten krijgen.

vrijdag 1 juni 2018

Pols gebroken

Pols gebroken | Wat ik ontdekte dat in meer of mindere mate lastig is met één hand

Douchen, neus snuiten
Ctrl alt delete
Cadeaus inpakken, eitjes bakken
Bladeren in een boek

Paprika's snijden en avocado's
Jeuk aan je rechter schouderblad
Iets uit je linker broekzak halen
Applaus

En, het drama ook niet overdrijven
Rug afdrogen
Pleisters plakken
Scripties schrijven

donderdag 5 april 2018

Door het bos de bomen


Iemand had mij gevraagd een column te schrijven. Het moest gaan over Nederlandstalige liedjes, want daar zijn er veel van en ik luister ze graag. Degene die het me vroeg zat bij een vereniging in Groningen waarvan de leden er prat opgingen dat ze niet van Nederlandstalige muziek hielden. Gewoon niet. Tussen Frans Duijts en Paul de Munnik maakten ze voor het gemak geen onderscheid. Dat er muziek zou kunnen bestaan die ze niet kenden, kwam niet in ze op. Voor hen was het Nederlands geen taal die ze zelf spraken, maar een genre, dat stond voor slechte smaak, bekrompenheid en woorden die onmogelijk poëtisch konden klinken. De meeste van hen studeerden een vreemde taal of volgden hun studie toch op zijn minst in het Engels. Zij waren mannen (m/v) van de wereld en lieten dat graag merken middels hun volhardende doch naïeve minachting voor het Nederlands.

En of ik ze even wilde vertellen dat ze fout zaten. Wilde ik wel. Ik wil graag uitleggen dat het raar, onnodig en vooral ook een beetje zielig is je eigen moedertaal zo te verachten. Dat de aanname dat de ene taal in essentie mooier is dan de andere, een misverstand is. Dat je net zo goed mooie, grappige, verrassende of ontroerende teksten kunt schrijven in het Nederlands. Met voorbeelden, veel voorbeelden. En dat het belangrijk is jezelf en je land niet te serieus te nemen, maar dat je in dezelfde val trapt als je zonder enkele ironie alles wat Nederlands is per definitie veracht.

Dat schreef ik allemaal op. In mijn laatste zinnen vatte ik samen dat het van een vreemd soort arrogantie is om open te staan voor de volledige brei aan anderstalige muziek, maar eventuele Nederlandstalige parels per definitie geen aandacht te gunnen. ‘Dan zie je’, zo schreef ik op, ‘door het bos de bomen niet meer.’

Ik geef toe, de nieuwe Drs. P. ben ik niet, maar ik vond het zelf best leuk gevonden. De redactie van het verenigingsblad dacht daar anders over. Of meer voor de hand liggend, dacht daar überhaupt niet over. Zonder met mij te overleggen verbeterden ze de zin naar ‘Dan zie je door de bomen het bos niet meer.’ Weg grapje. Weg betekenis. Weg mijn zo zorgvuldig geconstrueerde betoog.

Sindsdien heb ik het min of meer opgegeven andersgestemden met argumenten te overtuigen van hun ongelijk. Alleen de guerrillatactiek wil ik nog wel eens gebruiken, door anderen onverwacht te confronteren met een mooie zin. Ik ben zo moe, pak jij even mijn biezen? BAM.

zondag 31 december 2017

Alsof er niets is gebeurd

Vallen de grachten door de sluizen
En wie valt doet niet meer mee
De rivier draagt, als domme kracht
Het water naar de zee
Alsof er niets is gebeurd
Uit: Alsof er niets is gebeurd – Maarten van Roozendaal

Het is moeilijk als mensen doodgaan. Vooral als het mensen zijn die je kent. Maar ook als het mensen zijn die helemaal niet kent. Kende. Eberhard van der Laan was zo’n man die ik niet kende en doodging.

Op de ochtend van 7 oktober zag ik het in een NOS-pushmelding en ik schrok. Ik twijfelde even of dat wel terecht was, maar het was al gebeurd. Ik wist dan niet wie hij was precies, maar wel dat hij veel voor mensen betekende. Dat hij zo lief, een verbinder, zoveel hield van de stad en de stad van hem.

Ik had geen tranen bij de gedachte aan zijn toch nog plotselinge dood. De brok ik mijn keel kwam toen ik de vlag op het gemeentehuis in de storm halfstok zag wapperen. En op de pontjes. En op zomaar een woonhuis weer. En vooral bij de aanblik van de stad eronder die gewoon doorraasde. Met bellende fietsers en – zo stelde ik mij voor – een jongen die op een bakfiets oude wasmachine meenam.

En dan had je Twitter. Rutte had iets gezegd en mensen hadden staan zingen voor de ambtswoning. De NOS had iets pompeus geschreven. Mensen vonden het maar overdreven. En hoewel ik dat ontzettend goed begreep, werd ik toch een beetje boos. Je neemt mensen hun plezier niet af. Maar zeker niet hun verdriet.